Denksport & Doping
Een verkennend onderzoek naar farmacologische stoffen die de prestatie bij denksporten kunnen verbeteren
Inleiding
Als consequentie van de ratificatie van de Anti-dopingconventie in 1995 is de Nederlandse overheid de sportbonden meer en meer gaan verplichten tot het voeren van een actief anti-dopingbeleid. De minimale eis is het beschikbaar hebben van een anti-dopingreglement. De denksporten zijn vooralsnog vrijgesteld van deze verplichting wegens onduidelijkheid omtrent de relevantie ervan. Mede gezien het verzoek van een aantal Nederlandse denksportbonden heeft het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken (NeCeDo) gevraagd onderzoek te doen naar de mogelijkheden om met behulp van farmacologische stoffen de prestatie bij denksporten te verbeteren. Het gaat hierbij om de sporten schaken, dammen, bridge en go.
Werkwijze
De primaire vraag van dit onderzoek was of er farmacologische stoffen zijn die de denksportprestatie kunnen verbeteren. Hiernaast is gekeken of het gebruik van een dergelijke stof schadelijk is voor de gezondheid. Een stof wordt in dit onderzoek als doping beschouwd indien aan beide criteria voldaan is. Het imago van de sport is in dit onderzoek niet als argument gebruikt om een stof als doping aan te duiden.
Aangezien er weinig wetenschappelijke literatuur voorhanden is die concrete informatie over de farmacologische beïnvloeding van de denksportprestatie verstrekt, is besloten om de hulp van deskundigen in te schakelen. De geraadpleegde deskundigen zijn (ex-)topsporters, bondsbestuurders en wetenschappers op het terrein van de neurowetenschappen. Zij zijn eerst individueel geraadpleegd. Vervolgens is op een expertmeeting het onderwerp bediscussieerd om zo alle beschikbare kennis samen te brengen.
Resultaat
Het beoefenen van denksporten stelt geheel andere eisen aan het menselijk functioneren dan fysieke sporten. Dit verschil ligt in de primaire rol die mentale processen spelen als prestatiebepalende factor bij denksporten. Deze primaire rol van cognitieve factoren geldt in gelijke mate voor de sporten schaken, dammen, bridge en go. Derhalve kunnen deze vier denksporten met recht een bijzondere positie binnen de dopingregelgeving claimen.
De deskundigen uit de denksportwereld hadden de indruk dat het gebruik van farmacologische stoffen met als doel de prestatie te bevorderen slechts zeer sporadisch plaatsvindt. De algemene overtuiging is dat deze stoffen de denksportprestatie meer kwaad dan goed doen. Op grond van de bewezen effecten kan echter worden aangenomen dat prestatieverbetering bij denksporten wel tot de mogelijkheden behoort.
Voor zover bekend is het niet mogelijk om de denksportprestatie rechtstreeks met behulp van farmacologische stoffen te verbeteren. Het is waarschijnlijk wel mogelijk om dit op een indirecte manier te bewerkstelligen. Met behulp van farmacologische stoffen is het mogelijk om verschillende cognitieve functies te verbeteren. Voorbeelden van deze functies zijn alertheid, aandacht, waakzaamheid, geheugen, informatieverwerking, denksnelheid en het vermogen om het uitvoeren van een bepaalde cognitieve taak lang vol te houden. Deze cognitieve functies ondersteunen de uitvoering van cognitieve processen, welke op hun beurt bepalend zijn voor de uitvoering van complexe taken, zoals bijvoorbeeld het beoefenen van denksporten. Uitspraken over deze laatste stap kunnen alleen gebaseerd worden op veronderstellingen door de afwezigheid van voldoende kennis over de relatie tussen cognitieve processen en de denksportprestatie.
Aangezien de effecten van farmacologische stoffen op de cognitie in hun algemeenheid klein zijn, zijn de te verwachten effecten op de denksportprestatie eveneens gering.
In samenspraak met de geraadpleegde deskundigen en op basis van de wetenschappelijke literatuur is een overzicht opgesteld met stoffen waarvan verwacht zou kunnen worden dat deze de denksportprestatie kunnen verbeteren. Deze formulering is ruim gekozen om op voorhand geen enkele stof uit te sluiten. Door de verschillen in prestatiebepalende factoren tussen fysieke sporten en denksporten verschilt deze lijst van de bestaande lijst van verboden stoffen en methoden zoals deze is opgesteld door het Internationaal Olympisch Comitè (IOC).
Het overzicht met voor denksporten mogelijk prestatieverbeterende stoffen is uiteindelijk in drie categorieën ingedeeld. De eerste categorie behelst stoffen en stofgroepen waarvan verwacht kan worden dat zij bij denksporten de prestatie zullen verbeteren, terwijl het gebruik van deze stoffen tevens gezondheidsgevaren met zich meebrengt. Hiertoe behoren nicotine en andere cholinergica, amfetaminen, efedrine, cocaïne, bètablokkers en stoffen die het zuurstoftransport in het bloed bevorderen. Deze middelen kunnen op basis van de in dit onderzoek gehanteerde definitie als doping geduid worden.
De stoffen en stofgroepen coffeïne, MDMA-achtige stoffen (zoals ecstasy), cannabinoïden, opiaten, alcohol en benzodiazepinen vallen op grond van hun bewezen eigenschappen niet onder de in dit rapport gehanteerde definitie van doping.
Van een aantal stoffen is het op basis van de huidige kennis onvoldoende duidelijk of deze de denksportprestatie kunnen beïnvloeden. Vooralsnog zijn er niet genoeg aanwijzingen om deze stoffen als doping aan te duiden. Het gaat hierbij om de 5-HT1A-agonisten, de neuropeptiden en de hormonen groeihormoon, oestrogenen en testosteron.
Conclusies
- De prestatiebepalende factoren bij denksporten verschillen dusdanig van die van fysieke sporten dat voor beide soorten sporten een aparte anti-dopingregelgeving gewenst is.
- Binnen de denksportwereld bestaat de indruk dat het gebruik van farmacologische stoffen met als doel de prestatie te verbeteren slechts zeer sporadisch plaatsvindt.
- Het is te verwachten dat de denksportprestatie verbeterd kan worden met behulp van farmacologische stoffen. Het te verwachten effect is echter klein.
- Een aantal van de mogelijk prestatieverbeterende stoffen kan bij gebruik schadelijk voor de gezondheid zijn en valt daarmee onder de definitie “doping”.
- Het is aan te bevelen dat denksportorganisaties overgaan tot het formeel verbieden van het gebruik van doping en reglementen dienen op te opstellen die sancties mogelijk maken bij gebruik van binnen de denksport verboden stoffen.
- Indien overgegaan wordt tot een verbod op het gebruik van doping, is het aan te bevelen een specifieke lijst van te verbieden stoffen op te stellen en niet de huidige IOC-lijst over te nemen.
- Het is van belang om de nationale en internationale dopingreglementering voor denksporters goed op elkaar af te stemmen. Nederland kan hierbij een actieve rol spelen, waarbij dit onderzoek een basisdocument kan vormen.
O.M. de Hon en F. Hartgens




