Doping
Inleiding
Het jaar 1998 zal de sportgeschiedenis ingaan als het jaar van de doping. Nooit eerder waren er zoveel bewijzen dat doping in de topsport op grote schaal aanwezig is. Verder bleek dat het niet alleen om individuele sporters ging, maar dat hele sportploegen op systematische wijze dopinggeduide middelen gebruikten om tot betere sportprestaties te komen. Zeer fragnant was dat ook artsen hieraan als vanzelfsprekend hun steen(tje) bijdroegen. Om de grootschaligheid nog meer te onderstrepen bleek dat in een erkend dopinglaboratorium regelmatig gefraudeerd werd. Hoewel het fenomeen doping voor de huisarts ver weg lijkt, blijkt dat veel huisartsen in hun praktijk met doping te maken hebben. In dit overzicht zal eerst enige achtergrondinformatie over doping worden verschaft. Daarna zal dieper op relevante zaken over doping in de huisartsenpraktijk worden ingegaan.
Wat is doping ?
In de loop der decennia hebben diverse organisaties getracht een definitie van het begrip doping te geven. Tot heden zijn al deze definities niet sluitend gebleken. Het Internationale Olympische Comitè (IOC), de belangrijkste sportorganisatie, heeft enkele jaren geleden een zeer praktische definitie opgesteld. Volgens het oordeel van het IOC is doping strijdig met de ethiek van zowel de sport als de medische wetenschap. De omschrijving van het begrip doping door van de Medische Commissie van het IOC bestaat tegenwoordig uit twee punten:
1. de toediening van stoffen behorend tot verboden groepen van farmaca en/of
2. het gebruik van diverse verboden methoden.
In feite komt de nieuwe omschrijving er op neer dat het IOC een lijst van verboden middelen en methoden hanteert. Als de sporter gebruik maakt van middelen of methoden die op deze lijst staan, heeft men de dopingregels overtreden en is hij strafbaar.
Welke factoren bepalen of een middel of methode op de dopinglijst ?
Over de wijze waarop een dopinglijst tot stand bestaan vele vragen. De medische commissie van het IOC geeft in het algemeen een summiere toelichting bij haar besluiten, waarvan de onderbouwing veelal te wensen overlaat. Toch zijn er in de loop der jaren een aantal factoren aan te wijzen, die er toe geleid hebben dat de dopinglijst aangepast werd. Vanaf het begin zijn de bescherming van de gezondheid van de sporters en de vervalsing van de competitie de peilers waarop de dopinglijst is gebaseerd. Later kwam daar bij dat doping het imago van de sport schaadt, waardoor het zijn voorbeeldfunctie verliest. Een recent voorbeeld hiervan is de aangekondigde wijziging van de dopinglijst naar aanleiding van een positieve dopingtest tijdens de Olympische Spelen van Nagano in 1998. De urine van de winnaar van het snowboarden bleek marihuana te bevatten. Het IOC nam daarop het besluit dat in 1999 een nieuwe dopinggroep van de zogenaamde “social drugs” zal worden ingevoerd. Het IOC kwam tot dit besluit omdat volgens haar het gebruik van dergelijke stoffen het positieve imago van de sport ondermijnt en een slecht voorbeeld voor de internationale jeugd zou zijn.
Wie gebruikt wat ?
Hoewel het gebruik van doping met topsport wordt geassocieerd, is de afgelopen jaren gebleken dat het vooral een maatschappelijk probleem is. De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat dopinggebruik in de topsport veelvuldig voorkomt en op systematische wijze wordt toegediend en begeleid. Voorbeelden hiervan zijn de voormalige DDR en de recente dopingperikelen in de Tour de France. Hoewel deze dopingaffaires breed uitgemeten worden in de media, gaat het in feite slechts om een gering aantal mensen. Hierdoor is de impact voor de volksgezondheid niet in het gedrang. Dit geldt wel voor het gebruik onder recreatieve sporters. Uit onderzoek van het Nederlands Centrum voor Doping-vraagstukken is gebleken dat in Nederland minimaal 35.000 bezoekers van sportscholen en fitness-centra dopinggeduide middelen gebruiken. Waarschijnlijk liggen het werkelijke aantal veel hoger. Deze sporters gebruiken doping vooral vanuit esthetische overwegingen, waarbij de nadruk ligt op de ontwikkeling van de spiermassa. Zij gebruiken in overwegende mate androgene-anabole steroïden, meestal 3 tot 5 verschillende stoffen tegelijk, in doseringen die veelal 5 tot 20 maal de maximaal therapeutische dosering overschrijden. Andere middelen die vanwege het vermeende spieropbouwende effect worden gebruikt, zijn groeihormoon en clenbuterol. Deze middelen worden bijna altijd via de zwarte markt verkregen. Het gebruik van dergelijke middelen gaat nogal eens gepaard met gelijktijdig gebruik van stimulantia, zoals cocaïne, amfetaminen, ecstasy e.d.
Ook in de topsport is het gebruik van androgene-anabole steroïden al vele jaren erg populair. Vooral in sportdisciplines waar kracht een belangrijke rol speelt. Men denke hierbij bijvoorbeeld aan gewichtheffen, kogelstoten, maar ook duursporten met een krachtcomponent, zoals roeien. Verder is gebleken dat ook vele sporters uit andere sporttakken (o.a. zwemmen, wielrennen, hardlopen etc.) hun toevlucht tot deze middelen hebben genomen. De androgene-anabole steroïden zijn de stoffen die het frequentst bij dopingcontroles zijn aangetroffen.
In duursporten wordt sinds eind jaren tachtig het synthetisch vervaardigde erythropoietine gebruikt. Het duurprestatievermogen neemt hierdoor circa 10-15% toe zonder extra te trainen. Voordien was het gebruik van bloeddoping populair. Dit heeft vergelijkbare effecten als toediening van erythropoietine, maar is natuurlijk veel omslachtiger en het toedienen gaat gepaard met meer risico’s.
De huisarts en doping
Een onderzoek uit 1998 toonde dat jaarlijks 18%van de huisartsen met doping te maken krijgt. Vijfennegentig procent van de patiënten die een huisarts bezocht in verband met doping was sporter. Ruim 90 % van hen was amateur-sporter. De patiënt wilde meestal informatie over doping krijgen. Het meest werd gevraagd naar de bijwerkingen en risico’s van een dopinggeduid middel. Daarnaast vormden de door de sporter ervaren gezondheidsklachten, die hij associeerde met het gebruik van dopinggeduide middelen, een belangrijke reden om een huisarts te raadplegen.
Het overgrote merendeel van de huisartsen gaf te kennen helemaal niet of slechts in zeer beperkte mate op de hoogte te zijn van zaken die met doping te maken hadden. Zij omschreven de eigen kennis van dopinggeduide middelen, de gehanteerde doseringen en de gebruikswijzen als slecht. Ook vonden de huisartsen dat zij slecht op de hoogte waren van de effecten van dopinggeduide middelen op sportprestaties en het fysieke uiterlijk, alsmede de dopinglijst van IOC.
Ruim 70% van de ondervraagde huisartsen zag zijn kennis over doping graag verbeterd, bij voorkeur door middel van een kort en handzaam overzicht. Een klein percentage zag dit het liefst tijdens een cursus of symposium gebeuren.
Bijna alle huisartsen wijzen het gebruik van dopinggeduide middelen af. Het overgrote deel (72%) van de ondervraagde huisartsen gaf aan dopinggebruik te allen tijde te ontmoedigen. Bijna geen enkele huisarts is bereid dopinggeduide middelen voor te schrijven indien hiervoor geen medische indicatie bestaat. Een ruime meerderheid (67%) was ook niet bereid een sporter tijdens het gebruik van dopinggeduide middelen te begeleiden. Een klein percentage (12%) huisartsen was wel bereid de sporter naar een collega te verwijzen voor een recept of begeleiding.
De praktijk
Hoe dient een huisarts te handelen als een sporter hem tijdens het spreekuur met doping confronteert? Dit blijkt nogal eens een probleem voor de huisarts. Toch bestaan hiervoor duidelijke richtlijnen. De Vereniging voor Sportgeneeskunde heeft in 1995 richtlijnen omtrent het sportmedisch handelen voor artsen opgesteld. Deze bevatten ook vijf richtlijnen over doping. Deze richtlijnen zijn in 1996 door de KNMG opgenomen in de gedragsregels voor artsen (het zogenaamde “blauwe” boekje). Zij vormen derhalve het handvat voor de dagelijkse praktijk.
Indien een gezonde sporter het spreekuur bezoekt met het verzoek om hem een dopinggeduid middel voor te schrijven ter verbetering van de sportprestaties of om een dopingcontrole te manipuleren, dient de arts afwijzend op dit verzoek te reageren. Hij dient de patiënt te wijzen op de mogelijke gezondheidsrisico’s en op de schending van het fair-play-principe. Hij dient het verzoek niet categorisch af te wijzen, omdat daardoor een kans gemist wordt om de sporter van het gebruik af te houden en diens gezondheidsschade te beperken.
Een andere situatie doet zich voor als de arts constateert dat een sporter op medische indicatie een dopinggeduid middel is voorgeschreven. De arts heeft dan de plicht samen met sporter en behandelend arts te zoeken naar een ander gelijkwaardig geneesmiddel dat niet op de dopinglijst voorkomt.
Constateert de arts dat een sporter zonder medische indicatie een dopinggeduid middel gebruikt uitsluitend ter verbetering van de sportprestatie, heeft hij de plicht de sporter het gebruik van deze middelen te ontraden. Verder dient hij de sporter over de nadelige effecten op de gezondheid te wijzen. Ook hier geldt dat hij het gebruik niet categorisch dient af te wijzen. Indien een huisarts niet (voldoende) wil of kan ingaan op de hulpvraag van de sporter, kan hij hem gericht doorverwijzen.
F. Hartgens, sportarts
Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken (NeCeDo), Rotterdam




