Samenvatting huisarts en doping
Vraagstelling
Dit onderzoek is uitgevoerd om informatie te verkrijgen over de mate waarin en de wijze waarop huisartsen in Nederland met hulpvragen over doping te maken krijgen. Tevens richtte het onderzoek zich op de vraag hoe huisartsen hun kennis over doping beoordelen en welke attitude zij ten aanzien van dopinggebruik hebben.
Materiaal en methode
Dwarsdoorsnede-onderzoek middels een schriftelijke enquête onder 1000 Nederlandse huisartsen. Deze waren aselect gekozen uit het Geneeskundig Adresboek 1994/1995. In totaal werden 503 vragenlijsten geretourneerd. De effectieve respons bedroeg 489 (49%), aangezien 14 geretourneerde vragenlijsten van niet (meer) praktizerende huisartsen afkomstig waren en derhalve niet verwerkt werden.
Resultaten
De verdeling van de respondenten naar geslacht, leeftijd en provincie was identiek aan die van de landelijke gegevens van alle huisartsen in Nederland.
a. Doping bij de huisarts
Van de deelnemende huisartsen had 18% in het jaar voorafgaand aan het onderzoek met doping te maken gehad. Indien men er van uit gaat dat in de non-responsgroep geen enkele huisarts over doping geconsulteerd werd, bedraagt het aantal huisartsen dat met doping te maken kreeg minstens 9%. Vanwege de overeenkomsten tussen de respondenten en de gehele groep Nederlandse huisartsen, kan men herleiden dat minimaal 9 tot 18 % van de huisartsen over doping geconsulteerd werd gesteld in het jaar voorafgaand aan het onderzoek. Per arts betrof het gemiddeld slechts 1,6 patienten. Huisartsen die betrokken waren bij de sport waren vaker in aanraking met doping geweest dan huisartsen die niet betrokken waren bij sport.
Vijfennegentig procent van de patiënten die een huisarts bezocht in verband met doping was sporter. Ruim 90 % van hen was amateursporter. De meest gemelde reden waarom de patient de huisarts consulteerde, was het verkrijgen van informatie over doping. Hierbij ging het vooral om informatie over de bijwerkingen en risico’s tijdens het gebruik van een dopinggeduid middel. Daarnaast vormden de door de sporter ervaren gezondheidsklachten, die hij associeerde met het gebruik van dopinggeduide middelen, een belangrijke reden om een huisarts te raadplegen.
b. Kennis van doping
Een groot aantal huisartsen omschreef de eigen kennis van middelen, doseringen, wijze van gebruik en combinaties waarin dopinggeduide middelen gebruikt worden als slecht. Hetzelfde gold voor de kennis over de beschikbare alternatieven voor deze middelen. Ook vonden de huisartsen dat zij slecht op de hoogte waren van de effecten van dopinggeduide middelen op sportprestaties en het fysieke uiterlijk, alsmede van middelen ter maskering van dopinggebruik. Evenmin waren zij goed bekend met de lijst van verboden middelen van het Internationaal Olympisch Comitè (IOC).
Het geringe aantal huisartsen dat betrokken was bij de sport (15% van alle respondenten) gaf vaker aan wel bekend te zijn met de dopinglijst dan hun collega’s die geen relatie met de sport hadden. De mannelijke huisartsen beoordeelden de eigen kennis van dopinggeduide middelen over het algemeen beter dan hun vrouwelijke collega’s. Ruim 70% van de huisartsen zag zijn kennis graag verbeterd, bij voorkeur door middel van een kort en handzaam overzicht. Een klein percentage zag dit het liefst tijdens een cursus of symposium gebeuren.
c. Attitude inzake doping
Bijna alle huisartsen wijzen het gebruik van dopinggeduide middelen af. Het overgrote deel (72%) van de ondervraagde huisartsen gaf aan dopinggebruik te allen tijde te ontmoedigen. Bijna geen enkele huisarts is bereid dopinggeduide middelen voor te schrijven indien hiervoor geen medische indicatie bestaat. Een ruime meerderheid (67%) was ook niet bereid een sporter tijdens het gebruik van dopinggeduide middelen te begeleiden. Een klein percentage (12%) huisartsen was wel bereid de sporter naar een collega te verwijzen voor een recept of begeleiding.
Aanbevelingen
Dit onderzoek maakt duidelijk dat het merendeel van de huisartsen de eigen kennis over doping als slecht kwalificeert en graag beter geïnformeerd zou willen zijn. Voorlichting en scholing van huisartsen over doping zou gericht opgezet dienen te worden. Er bestaat een grote voorkeur voor bondige en gemakkelijk toegankelijke informatie. Derhalve verdient het aanbeveling om een handzaam overzicht of een beknopt boek samen te stellen, speciaal gericht op huisartsen. Deze informatie dient minstens de effecten, bijwerkingen en risico’s van de meest gebruikte dopingmiddelen te omvatten, alsmede de meest gebruikte dopinglijst(en). Het dient tevens praktische informatie te bevatten. Daarnaast zou informatie over doping in het Farmacotherapeutisch Kompas of het Repertorium opgenomen kunnen worden. Deze naslagwerken zijn veel gebruikte en gemakkelijk toegankelijke informatiebronnen over geneesmiddelen.
Een andere wijze waarop huisartsen aangaven om meer kennis te verwerven was middels een cursus of symposium. Een cursus of symposium zou dezelfde informatie dienen aan te reiken als het schriftelijke overzicht. Hierbij kan gedacht worden om landelijke of regionale aanbieders van scholingsprogramma’s voor artsen te benaderen om het onderwerp “doping” in hun programma op te nemen. Ook zouden de opleidingen tot basisarts en huisarts hieraan kunnen deelnemen of zij zouden een scholingsprogramma over doping in hun reguliere curriculum kunnen opnemen.
De meeste artsen wijzen dopinggebruik af, ontraden dit de patiënt en weigeren om een recept voor een dopinggeduid middel voor te schrijven. Hiermee handelen zij overeenkomstig de gedragsregels van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). Daarnaast willen de meeste huisartsen een sporter die doping gebruikt niet begeleiden of verwijzen naar een collega. Hiermee wijken zij af van de hiervoor geldende gedragsregels van de KNMG. Deze regels geven aan dat een arts in dient te gaan op de hulpvraag van een sporter en deze niet dient af te wijzen. Gezien de discrepantie tussen gedragsregels en attitude verdient het aanbeveling de huisartsen vooral te informeren over en kennis te laten nemen van deze gedragsregels inzake doping.
Verder kan de begeleiding van de doping gebruikende sporter verbeteren, indien er een overzicht van deskundige artsen en instanties, beschikbaar is. Deze dienen zich echter goed aan de gedragsregels van de KNMG inzake doping te houden. Indien een huisarts niet (voldoende) wil of kan ingaan op de hulpvraag van de sporter, kan hij hem gericht doorverwijzen.
|
Hartgens F., Rietjens G., van Haren S.F., Vogels T. en Vrijman E.N. |




