Vragen? E-mail de Doping Infolijn: dopingvragen@dopingautoriteit.nl
https://www.dopingautoriteit.nl/wat_is_doping/geschiedenis_van_doping/de_eerste

De eerste…

In 1896 overleed de Britse wielrenner Arthur Linton, twee maanden nadat hij de race Bordeaux-Parijs had gewonnen. Hij was de eerste sporter waarvan algemeen aangenomen werd dat zijn dood het gevolg was van het gebruik van prestatieverhogende middelen.

Zijn coach Choppy Warburton was de eerste coach die schuldig werd bevonden aan het toedienen van prestatieverhogende middelen en was ook de eerste coach die daarvoor werd geschorst.  Onderzoek van Stuart Stanton toonde aan dat aannemelijk is dat Arthur Lintons dood niet het gevolg was van het strychninegebruik maar dat Linton overleed door tyfus. Door de vermoeidheid na een zwaar sportseizoen was hij hier vatbaarder voor.

In 1928 was de Internationale Atletiekfederatie (IAAF) de eerste sportorganisatie die dopinggebruik officieel verbood.

In 1962 werd door de Raad van Europa de eerste dopinglijst opgesteld. Op deze lijst stonden narcotica, stimulantia met een amine-achtige structuur, alkaloïden tonica en bepaalde hormonen.

In 1963 werd in Frankrijk de eerste dopingwet ingesteld.

In 1966 werden de eerste dopingcontroles bij grote sportevenementen ingevoerd. Dit gebeurde tijdens de wereldkampioenschappen voetbal (FIFA) en de Tour de France (wielrennen, UCI). De Fransman Raymond Poulidor was de eerste wielrenner die tijdens de Tour werd aangewezen om een dopingcontrole te ondergaan. In totaal werden er in deze editie vijf renners positief bevonden.

In 1967 stelde de medische commissie van het IOC voor het eerst een dopinglijst vast. Op deze lijst werden alleen stimulantia en narcotica vermeld.

In 1974 werden tijdens de Common Wealth Games in Auckland (nieuw Zeeland) dopingcontroles uitgevoerd waarbij voor het eerst getest werd op anabole steroïden. De test hiervoor was ontwikkeld door Manfred Donike.

In 1976 werd het gebruik van anabole steroïden door het IOC verboden. En tijdens de Olympische Spelen in Montreal werden 8 sporters positief bevonden op het gebruik van anabolen, waaronder de gouden medaillewinnaars bij het gewichtheffen de Pool Zbigniew Kacmarek en de Bulgaar Valentin Khristov.

In 1989 werd het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken, het NeCeDo opgericht. Het NeCeDo was een beleidsontwikkelende en -adviserende instantie inzake (inter)nationale aangelegenheden op het gebied van doping. In mei 2006 fuseerde het NeCeDo met DoCoNed tot de Stichting Anti-Doping Autoriteit Nederland, kortweg de Dopingautoriteit.

Op 1 juni 1995 ratificeerde de Nederlandse overheid de "Antidopingconventie" van de Raad van Europa. Dit betekent in de praktijk dat sinds deze dag de Nederlandse overheid er op toeziet dat er in Nederland een gedegen antidopingbeleid wordt gevoerd; zowel door de overheid zelf als door de sportbonden. De ratificatie heeft tot gevolg dat de overheid gehouden is aan ondersteunen van het nationale antidopingbeleid, waarbij onder andere aandacht wordt geschonken aan educatie, controles, reglementering en (inter)nationale samenwerking.

Op 6 mei 1996 werd er een start gemaakt met out-of-competition-dopingcontroles van Nederlandse sporters in het kader van een programma van NOC*NSF. Doel hiervan was alle Nederlandse sporters in voorbereiding op de Olympische Spelen die datzelfde jaar in Atlanta gehouden werden minimaal één keer op doping te controleren. Omdat nog niet alle Nederlandse sportbonden over een dopingreglement beschikten, was er een contract opgesteld tussen de individuele sporter en NOC*NSF. Uiteindelijk zijn er in dit kader ruim driehonderd controles door - toen nog - het NeCeDo uitgevoerd. Tegenwoordig is de uitvoering van dopingcontroles in handen van de Dopingautoriteit. De Dopingautorieit is ontstaan uit een fusie van NeCeDo en DoCoNed.

Op 9 maart 1997 startte de UCI tijdens Parijs-Nice als eerste internationale Federatie met gezondheidscontroles. De Franse wielrenner Erwan Menthéour was de eerste sporter die toen een startverbod opgelegd kreeg vanwege een te hoog hematocrietgehalte. De gezondheidscontroles van de UCI controles bestonden uit een bloedafname voor de wedstrijd waarbij het hematocriet (verhouding bloedcellen:bloedplasma) werd beoordeeld. Wanneer het gehalte van rode bloedcellen te hoog was werd er een startverbod opgelegd om te voorkomen dat deze door de inspanning verder zou oplopen. Als norm werd een hematocriet van 50% gehanteerd.

In november 2000 werd de Amerikaanse basketballer Don MacLean als eerste in de Amerikaanse profbasketbalcompetitie (NBA) geschorst wegens het gebruik van anabole steroïden. Vanaf 1999 werd er in de NBA gecontroleerd. De sporter gebruikte naar eigen zeggen een supplement om te herstellen van de vele blessures die hem dat seizoen teisterden. MacLean werd voor vijf wedstrijden geschorst. De sancties in de NBA voor het gebruik van steroïden zijn op dat moment veel lager dan in andere takken van sport. Het World Anti-Doping Agentschap (WADA) adviseert bij een dergelijke overtreding een schorsing van twee jaar.

In het jaar 2000 is een testmethode gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Nature die het gebruik van EPO direct kan aantonen. In 2001 testten de eerste sporters positief, waaronder de wielrenners Niklas Axelsson uit Zweden, Roland Meier uit Zwitserland, Bo Hamburger afkomstig uit Denemarken en de Fransman Pascal Hervé.

Op 17 februari 2001 worden zes Finse langlaufers betrapt op het gebruik van het middel HES (hydroxy-ethyl zetmeel), een (maskerend) product dat het plasmavolume vergroot. Onder de zes bevonden zich toplanglaufers als Harri Kirvesniemi, meervoudig wereldkampioen en Mika Myllylä, Olympisch kampioen in 1998. Opvallend was verder dat het gebruik van HES in de Finse ploeg systematisch plaatsvond, waarbij zowel coaches, artsen en andere mensen binnen de bond nauw betrokken waren. Zij waren echter in de veronderstelling dat HES niet kon worden opgespoord. Het was de eerste keer dat sporters op het gebruik van dit maskerend middel werden betrapt.

In 2002 kon het gebruik van NESP, een nieuwe en verbeterde vorm van EPO, voor het eerst worden opgespoord. Tijdens de Olympische Spelen in Salt Lake City werden de eerste sporters positief getest op darbepoëtine (NESP). Deze sporters waren de Spanjaard Johann Mühlegg (drie gouden medailles bij het langlaufen) en de Russische langlaufsters Larissa Lazutina en Olga Danilova (een gouden en een zilveren medaille).
Omdat Mühlegg het niet eens was met zijn schorsing vocht hij dit aan bij het CAS die zijn eis in januari 2003 verwierp. Alle drie langlaufers werden gediskwalificeerd en Joahnn Mühlegg en Olga Danilova moesten hun medailles inleveren. Larissa Lazutina beëindigde haar carrière na de positieve bevinding. Olga Danilova werd 2 jaar geschorst.

De Amerikaanse wielrenner Tyler Hamilton werd tijdens de Olympische Spelen van 2004 in Athene verdacht van bloeddoping, maar er kon geen onderzoek van het B-monster plaatsvinden omdat deze urine door een foute opslagprocedure onbruikbaar was geworden. Daarom mocht hij zijn gouden medaille, die hij tijdens de Olympische Spelen had gewonnen, houden. Tijdens de Vuelta in 2004 kreeg hij een startverbod opgelegd vanwege te hoge hematocrietwaarden. Met behulp van het bloedmonster dat daarna werd afgenomen werd aangetoond dat hij bloeddoping had toegepast. Daarom werden al zijn klasseringen in de Vuelta van 2004 nietig verklaard. Hij was daarmee de eerste sporter die op bloeddoping werd betrapt. Na een lange procedure werd hij met ingang van april 2005 door het Amerikaanse antidopingbureau USADA voor een periode van 2 jaar geschorst.

De Amerikaanse wielrenner Floyd Landis won de Tour de France in 2006, maar enkele dagen na zijn triomf in Parijs werd bekend dat hij na afloop van de 17e etappe positief getest werd op testosteron. Hij vocht dit tevergeefs aan en werd twee jaar geschorst en moet zijn gele trui inleveren. Hij is daarmee de eerste Tourwinnaar die zijn titel in hetzelfde jaar als waarin hij deze veroverde werd ontnomen.
Op 20 mei 2010 bekende Landis echter dat hij vanaf 2002 behalve testosteron ook systematisch gebruik had gemaakt van EPO en groeihormoon.

In 2008 testte de Italiaanse wielrenner Ricardo Ricco tijdens de Tour de France als eerste sporter positief op de EPO-variant Mircera®. Het leverde hem een schorsing op van twee jaar.

In juli 2009 werd bekend dat de Duitse schaatsster Claudia Pechstein was geschorst. Zij was de eerste sporter die op grond van afwijkende bloedwaarden in het biomedisch paspoort werd geschorst. Zij kreeg een schorsing opgelegd van twee jaar.

Op 22 februari 2010 werd bekend dat de Engelse rugbyspeler Terry Newton een schorsing opgelegd gekregen heeft van twee jaar omdat er humaan groeihormoon werd aangetoond in een urinemonster van 23 november 2009. Het is de eerste keer dat een sporter positief bevonden is op het gebruik van groeihormoon.

Op 29 maart 2010 is bekendgemaakt dat de Spaanse wielrenner Manuel Beltran zijn voormalige werkgever Liquigas 100.000 euro moet betalen vanwege zijn positieve dopingtest tijdens de Ronde van Frankrijk van 2008. De tuchtcommissie van de Italiaanse wielerbond kwam tot dat oordeel om de wielerploeg te compenseren voor de financiële consequenties van die positieve test. Nooit eerder werd een wielerformatie om zo'n reden gecompenseerd.

Follow us: