Vragen? E-mail de Doping Infolijn: dopingvragen@dopingautoriteit.nl
https://www.dopingautoriteit.nl/wat_is_doping/geschiedenis_van_doping/enkele_bekende_dopingaffaires

Enkele bekende dopingaffaires

Knud Enemark Jensen

In 1960 liep de Deense wielrenner Knud Enemark Jensen hoofdletsel op als gevolg van een val bij een van de wedstrijdonderdelen tijdens de Olympische Zomerspelen in Rome. Zijn val was het gevolg van een collaps. Hij werd opgenomen in een ziekenhuis in Rome. Daar werd vastgesteld dat hij al overleden was. Bij de autopsie werden sporen van amfetamine gevonden. Het autopsierapport meldde echter dat zijn dood het gevolg was van uitdroging.

Tommy Simpson

In 1967 overleed de Engelse wielrenner Tommy Simpson bij de beklimming van de Mont Ventoux tijdens de Tour de France door een combinatie van de hitte, oververmoeidheid, alcoholgebruik en gebruik van amfetamines. Omdat Simpson een bekend wielrenner was, leidde zijn dood tot veel commotie. Niet in het minst omdat er van het dramatische moment veel televisie- en filmbeelden bestaan. In die tijd was een live verslag van sportevenementen zoals de Tour de France niet algemeen gangbaar. Het geval Simpson bleek een belangrijk keerpunt. Zijn dood leidde internationaal zowel bij sportorganisaties als bij overheden tot actie tegen het gebruik van doping.

Michel Pollentier

In 1978 werd Michel Pollentier na zijn overwinning op de Alpe d’Huez tijdens de Tour de France betrapt op manipulatie. Hij had schone urine verborgen in een condoom onder zijn oksel. Deze urine werd via een ingenieus stelsel van slangetjes naar een buisje onder zijn penis geleid. Bij de dopingcontrole bleek echter dat hij het sluitertje van het condoom naar het stelsel van slangetjes niet geopend kreeg. Het gepruts om het klemmetje los te maken wekte de argwaan van de dopingcontroleurs. Nadere inspectie door de dopingcontrolearts bracht het bedrog aan het licht. Sindsdien moet een sporter dan ook zijn bovenlichaam en onderlichaam gedeeltelijk ontbloten bij het leveren van het urinemonster.

Nikolaj Goeljajev

De Russische wereldkampioen schaatsen van 1987, Nikolaj Goeljajev, bleek de Noorse schaatser Björn Nyland een pakje te hebben meegegeven voor zijn goede vriend Stein Krosby. Nyland kreeg argwaan, opende het pakje en zag tot zijn verbazing een grote hoeveelheid anabole steroïden. Een en ander leidde tot een schorsing van Krosby, op wiens verzoek de "transactie" had plaatsgevonden, en het ontslag van Valeri Smetanin, de arts van de Russische ploeg die het brein bleek achter de handel. Deze zaak was aanleiding voor het IOC om de handel in doping strafbaar te stellen. Nikolaj Goeljajev werd uiteindelijk niet gestraft en deed in februari mee aan de Olympische Spelen in Calgary, waar hij goud won op de 1000 m.

Ben Johnson

Tijdens de Olympische Spelen van 1988 werd Ben Johnson positief bevonden op stanozolol, een anabool middel, nadat hij het koningsnummer - de 100 m sprint - overtuigend had gewonnen. Hij werd gediskwalificeerd en zijn medaille en zijn wereldrecord werden hem afgenomen. Naar aanleiding van de "affaire Ben Johnson" vond in Canada een regeringsonderzoek plaats naar dopinggebruik in Canada. Op 5 oktober 1988 werd dit onderzoek officieel gestart. Het onderzoek, dat meer dan een jaar duurde, mondde uiteindelijk uit in een uitgebreide rapportage. Hieruit bleek onder meer dat in bepaalde takken van sport (zoals atletiek en worstelen) subsidiegeld van de overheid werd misbruikt om dopinggebruik te financieren. Dit rapport is bekend geworden als "The Dubin Inquiry", genoemd naar de voorzitter van de onderzoekscommissie. Het rapport leidde ertoe dat in 1991 een onafhankelijke dopingorganisatie in Canada werd opgericht die verantwoordelijk werd voor de dopingcontroles en implementatie van een dopingreglement.

Pedro Delgado

In 1988 testte de Spaanse wielrenner Pedro Delgado positief op het maskerende middel probenicide. Dit middel was volgens het IOC verboden, maar omdat probenicide niet op de dopinglijst van de internationale wielerunie (UCI) stond oordeelde de UCI dat Delgado onschuldig was. Hierdoor behield hij zijn gele trui en won de Tour de France van datzelfde jaar.

Michelle de Bruin-Smith

De Ierse zwemster Michelle Smith deed voor de eerste keer mee met Olympische Spelen van 1988 in Seoul. Ook tijdens de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona was ze van de partij. Zowel in Seoul als in Barcelona speelde ze echter geen rol van betekenis. Tijdens de Olympische Spelen van Barcelona ontmoette ze de Nederlandse discuswerper Erik de Bruin met wie ze later trouwde. Vanaf 1993 werd hij ook haar coach en dat leidde tot een opmerkelijke progressie in haar zwemprestaties.
In 1995 won ze 2 gouden medailles en één zilveren medaille tijdens de Europese kampioenschappen. Tijdens de Olympische Spelen van 1996 in Atlanta won ze drie gouden medailles en één bronzen plak. Ook in 1997 was ze succesvol tijdens de Europese kampioenschappen waar ze toen twee gouden en twee zilveren medailles veroverde.
Het was al wat langer verdacht dat zij haar grootste successen beleefde terwijl ze ouder was dan haar concurrentes, temeer daar haar coach en echtgenoot Erik de Bruin in 1993 voor vier jaar geschorst werd vanwege een positieve bevinding op testosteron. In 1998 werd Michelle de Bruin schuldig bevonden aan manipulatie bij een dopingtest. Haar urinemonster was namelijk verontreinigd met alcohol en dat werd door de FINA (internationale zwemfederatie) bestraft met een schorsing van vier jaar. Zij vocht dit tevergeefs aan bij het CAS, waardoor de schorsing gehandhaafd bleef. Tijdens de rechtszitting bij het CAS werd ook bekend dat de drie urinemonsters die ze in november 1997 inleverde, sporen bevatten van het anabool steroïde androsteendion.

DDR

In de negentiger jaren kwam na de val van de muur informatie uit het Stassi-archief boven water over het DDR staatsbesluit 14.25. In dit plan staat beschreven hoe in het voormalige Oost-Duitsland, de DDR, aan (minderjarige) sporters systematisch anabolen, met name Oral-Turinabol, werd toegediend. Voor iedere sporter bleek een individueel programma van toediening van anabolen en training te bestaan. Dit heeft tot blijvende lichamelijke – en soms ook tot psychosociale schade bij sporters geleid.

Zo gaf kogelstootster Heidi Krüger aan zich door anabolengebruik meer man te voelen dan vrouw en zij zag geen andere uitweg dan een geslachtsverandering te ondergaan. Hij trouwde later met Ute Kraus, een zwemster die ook uit voormalig Oost-Duitsland afkomstig is en deel uitmaakte van de groep topsporters die systematisch doping kreeg toegediend.

In 2000 werden de voormalige directeur van de sportfederaties van de DDR Manfred Ewald tot 22 maanden en de sportarts Manfred Höppner tot 18 maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens lichamelijke mishandeling van minderjarigen.

BALCO-affaire

In 1985 richtte Victor Conte de firma Bay Area Laboratory Cooperative (BALCO) op. Conte testte zijn cliënten op vitamine- en mineralentekorten en gaf hen op basis van de bloedonderzoeken adviezen over suppletie van hun (sport)voeding. Patrick Arnold vervaardigde dopinggeduide stoffen die op dat moment nog niet te detecteren waren en Conte verkocht deze. Er werden verschillende soorten stoffen verkocht, waaronder EPO, humaan groeihormoon, het stimulantium Modafinil, testosteron en epitestosteron (in een crème: the Cream, ook wel aangeduid als The Clear) en het designersteroïd tetrahydrogestrinon (THG).
Vanaf 1996 betrok de American footballspeler Bill Romanowski zijn supplementen van BALCO en kreeg de firma meer bekendheid. Daarna volgden meerdere getalenteerde sporters en vanwege hun “successen” begonnen de verkoopcijfers te stijgen.

In 2003 kwamen onderzoekers van de Amerikaanse anti-dopingorganisatie USADA in het bezit van een injectiespuit dat sporen bevatte van een vreemde stof. Het bleek te gaan om het designersteroïd THG.

Bekende afnemers van Conte’s producten waren de sprinters Tim Montgomery, Marion Jones en Dwain Chambers, de kogelstoters Kevin Toth en C.J. Hunter (echtgenoot van Marion Jones), de middenafstandloopster Regina Jacobs en de honkballer Barry Bonds.

In oktober 2005 werd Victor Conte door de federale rechter veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, vier maanden huisarrest en een juridische ondertoezichtstelling van twee jaar.

De zaak Fuentes ofwel Operación Puerto

Op 23 mei 2006 werden in de kliniek van Eufemiano Fuentes in Madrid (Spanje) meer dan 200 zakjes bloed gevonden en transfusiemateriaal bij een inval van de Guardia Civil. Naast Fuentes werden ook de ploegleiders Manolo Saiz (Liberty Seguros) en Ignacio Labarta (Comunidad Valenciana) opgepakt.

Verder werden voornamelijk veel namen van wielrenners genoemd die bij deze zaak zijn betrokken. Een dag voor de start van de Tour de France werd aan negen renners, waaronder de favorieten de Duitser Jan Ullrich en de Italiaan Ivan Basso een startverbod opgelegd. Van Michele Scarponi en Jörg Jaksche is het inmiddels ook duidelijk dat ze betrokken waren. Begin 2009 wordt de Spaanse wielrenner Alejandro Valverde opnieuw genoemd in de zaak Fuentes. Het CONI (het Italiaans Olympisch Comité) vroeg twee jaar schorsing voor Valverde. Op 11 mei 2009 werd Valverde door CONI geschorst. Deze schorsing gold vooralsnog alleen op Italiaans grondgebied, maar kon dan nog wereldwijd worden omdat de internationale wielerunie UCI op dat moment overwoog om deze schorsing over te nemen. Op 31 mei 2010 werd Valverde voor twee jaar wereldwijd geschorst en de schorsing ging met terugwerkende kracht op 1 januari 2010 in. Al zijn uitslagen van 2010 werden geschrapt, maar die van de voorgaande jaren blijven gehandhaafd. Hij ging tegen deze uitspraak in beroep bij CAS, maar het beroep werd tot twee keer toe afgewezen. Van de Duitse wielrenner Jan Ullrich is nooit bewezen dat hij bij de zaak Fuentes betrokken was; hij heeft vervolging door de Duitse justitie afgekocht en de precieze inhoud van die overeenkomst is niet openbaar gemaakt.

In december 2009 bepaalde een Spaanse rechtbank dat de bloedstalen niet overgedragen hoefden te worden aan internationale sportbonden, omdat het onderzoek nog niet afgerond was.

Follow us: