Urinecontrole

In Nederland wordt het merendeel van de dopingcontroles afgenomen door de Dopingautoriteit. Dopingcontroleofficials van de Dopingautoriteit zijn te herkennen aan de pas die ze bij zich hebben. Bij grote sportevenementen worden soms ook dopingcontroles uitgevoerd door andere organisaties. In het buitenland worden controles afgenomen door de daar aanwezige dopingcontrole uitvoerende organisaties.

Hieronder vind je de video over de urinecontrole en een stap voor stap beschrijving. 

Stap voor stap

1. Oproep voor dopingcontrole

De dopingcontroleofficial (DCO) of een aangewezen assistent (chaperon(ne)) zal je op de hoogte stellen van het feit dat je bent geselecteerd voor een dopingcontrole, waarna hij/zij je zal vertellen wat je rechten en plichten zijn. Zo mag je een begeleider en eventueel een tolk meenemen naar de dopingcontrole. Het is jouw plicht en verantwoordelijkheid om vanaf het moment van (mondelinge) aanwijzing tot en met de afronding van de dopingcontrole (de afnameprocedure) onder voortdurend en direct toezicht van de DCO (dan wel een door de DCO aangewezen persoon) te staan.

Je dient het aanwijzingsformulier te ondertekenen waarna je een kopie van het formulier krijgt. Vanaf het moment van aanwijzing sta je onder toezicht van de DCO of chaperon(ne). Je dient je direct te melden in het dopingcontrolestation of op de afgesproken plaats. Indien je later wilt verschijnen dien je hiervoor toestemming te vragen aan de DCO. Alleen met toestemming van de DCO mag je later verschijnen tijdens een dopingcontrole. Geldige redenen zijn onder andere een prijsuitreiking, persconferentie of een volgend wedstrijdonderdeel.

Het nuttigen van eten/drinken (ook als je dit aangeboden krijgt van de DCO of aangewezen assistent) voorafgaand aan de dopingcontrole, geschiedt geheel op eigen risico. Het nuttigen van alcohol in het dopingcontrolestation is niet toegestaan.

Sporters met een beperking

De begeleider van een sporter met een lichamelijke of verstandelijke beperking of het dopingcontrolepersoneel, mag (op verzoek van de sporter) assisteren tijdens de afnameprocedure indien de DCO hiermee instemt. Tevens kan de DCO besluiten om een alternatief dopingcontrolestation of andere afnamematerialen, zoals grotere opvangbekers, te gebruiken zolang de identiteit en integriteit van het urinemonster gewaarborgd blijven. De begeleider van een sporter met een visuele en/of verstandelijke beperking mag de DCO observeren tijdens het verzamelen van het urinemonster. De begeleider zal in principe zelf geen getuige zijn van de feitelijke productie, tenzij de sporter hier nadrukkelijk om vraagt.

Oproep voor dopingcontrole

2. Melden in het dopingcontrolestation

Op het moment dat je je meldt in het dopingcontrolestation ben je verplicht jezelf te identificeren. De identificatie in Nederland kan plaatsvinden met je licentie, rijbewijs of paspoort.

In het buitenland geldt meestal alleen een rijbewijs of paspoort als geldig identificatiebewijs! Ook de DCO is altijd in het bezit van een legitimatiebewijs waarmee hij kan aantonen dat hij voor de Dopingautoriteit werkzaam is.

Melden in het dopingcontrolestation

3. Keuze opvangbeker

Als je denkt voldoende te kunnen plassen, word je gevraagd een opvangbeker te kiezen. Elke opvangbeker is apart verpakt. Controleer of de verpakking nog intact is. Op de opvangbeker staat een uniek codenummer. De DCO zal dit codenummer op het dopingcontroleformulier noteren.

Je bent zelf verantwoordelijk voor het toezicht op de door jou uitgekozen materialen. Zorg er dan ook voor dat je deze steeds in de gaten houdt zolang ze niet verzegeld zijn.

Keuze opvangbeker

4. Plassen onder toezicht

Voordat je gaat plassen word je (waar mogelijk) gevraagd om je handen te wassen met water (zonder zeep!) of om handschoenen te dragen. In de toiletruimte dien je vervolgens onder toezicht van de DCO of chaperon(ne), die van hetzelfde geslacht zal zijn, in de opvangbeker te plassen. De DCO of chaperon(ne) zal hierop goed zicht houden en je verzoeken je gedeeltelijk te ontkleden. Je dient minimaal 90 ml urine te produceren. Sluit vervolgens de opvangbeker.

Je begeleider mag niet mee de toiletruimte in, tenzij je onder de 18 jaar bent. In dat geval mag je begeleider wel mee het toilet in om toezicht te houden op de DCO of de chaperon(ne). Je begeleider mag echter geen zicht hebben op het plassen zelf, tenzij je daar als sporter om vraagt.

Hetzelfde geldt voor sporters met een visuele of verstandelijke beperking. Ook dan mag de begeleider mee de toiletruimte in.

Let op! Een sporter met een permanente katheter moet ‘oude’ urine verwijderen alvorens een nieuw urinemonster te produceren. Indien de sporter zichzelf katheteriseert, mag hij/zij gebruik maken van eigen katheters mits de verpakking van deze katheter intact is.

Plassen onder toezicht

5. Onvoldoende urine

Het is goed mogelijk dat je in eerste instantie niet in staat bent om minimaal 90 ml urine te produceren. Je sluit dan toch de opvangbeker, waarna deze wordt verzegeld met een uniek genummerd plakzegel. De DCO zal het codenummer van de opvangbeker en het nummer van de plakzegel noteren op het dopingcontroleformulier. De verzegelde opvangbeker wordt in het dopingcontrolestation bewaard, terwijl jij terug gaat naar de wachtruimte.

Op het moment dat je weer kunt plassen keer je terug in de werkruimte waar je opnieuw een opvangbeker uitkiest. In de toiletruimte dien je, onder toezicht, wederom in de opvangbeker te plassen. De urine uit de tweede opvangbeker voeg je toe aan de urine in de eerste opvangbeker, net zolang totdat in de eerste opvangbeker de gewenste hoeveelheid is bereikt. Let er op dat de verzegeling van de eerste opvangbeker nog intact is voordat je de tweede urine hieraan toevoegt!

Onvoldoende urine

6. Keuze van flesjes

Nadat je geplast hebt keer je terug in de werkruimte. De DCO zal je vragen een piepschuimen doosje te kiezen (de Bereg Kit) dat twee, in plastic verpakte flesjes bevat. Over het piepschuimen doosje zit een blauwe plakzegel. Controleer of de zegel nog intact is.

Maak het piepschuimen doosje open en haal de flesjes eruit. Op de flesjes en op het piepschuimen doosje staat een codenummer. Controleer of deze nummers overeenkomen en of de DCO de nummers goed noteert op het formulier. 

Keuze van flesjes

7. Verdelen van de urine

Haal de flesjes uit het plastic, haal de doppen eraf en open de opvangbeker. Verdeel de urine over de flesjes. Je schenkt minimaal 30 ml in het B-flesje en 60 ml in het A-flesje. De streepjes op het etiket geven de juiste hoeveelheid aan.

Laat altijd een kleine hoeveelheid urine achter in de opvangbeker. Dit wordt op een later tijdstip gebruikt om te bepalen of het urinemonster voldoende bruikbaar is in het laboratorium (zie stap 9).

Verdelen van de urine

8. Sluiten en verzegelen van de flesjes

Om de hals van de flesjes zit een rode ring. Haal de ring eraf en draai de dop op de flesjes. Als de dop tijdens het draaien geen geluid meer maakt is het flesje dicht en verzegeld.

Controleer of de flesjes niet lekken door ze op de kop te houden. De flesjes worden teruggeplaatst in het piepschuimen doosje.

In Nederland kies je vervolgens een (rood) plakzegel met een uniek codenummer. Het plakzegel wordt over het piepschuimen doosje aangebracht. Deze tweede verzegeling, naast de verzegeling van het flesje zelf, is een extra waarborg voor de sporter maar is niet noodzakelijk.

Controleer weer of de DCO het codenummer goed noteert.

Sluiten en verzegelen van de flesjes

9. Meting soortelijk gewicht

In de opvangbeker is een klein beetje urine achtergebleven. De DCO bepaalt hiermee het soortelijk gewicht van de urine. Deze waarde geeft aan of de urine voldoende bruikbaar is voor analyse in het dopinglaboratorium. Hierbij wordt rekening gehouden met de hoeveelheid verzamelde urine, waarbij de volgende verschillende normen gelden:

Hoeveelheid verzamelde urine Soortelijk gewicht gemeten met refractormeter Soortelijk gewicht gemeten met urinesticks
90 tot 150 ml ≥ 1.005 ≥ 1.010
≥ 150 ml ≥ 1.003 Uitsluitend refractometer

Voldoet de achtergebleven urine niet aan het gestelde criterium, dan zal je opnieuw moeten plassen. De procedure wordt vanaf stap 3 herhaald, net zo lang tot dat er een urinemonster geproduceerd is met het juiste soortelijk gewicht. In uitzonderlijke situaties kan de DCO besluiten dat het verder verzamelen van urinemonsters niet mogelijk of wenselijk is

Meting soortelijk gewicht

10. Opgave gebruikte geneesmiddelen

De DCO zal je vragen welke (genees)middelen je de afgelopen zeven dagen hebt gebruikt en of je in de afgelopen drie maanden een bloedtransfusie hebt ondergaan. Noem ook de anticonceptiepil, voedingssupplementen, natuurgeneeskundige kruiden en soortgelijke middelen. De middelen worden op het dopingcontroleformulier genoteerd.

Gebruik je geneesmiddelen die op de dopinglijst staan en ben je in het bezit van een dispensatie voor het gebruik van deze middelen, geef dit dan aan en overhandig de DCO eventueel een kopie van je dispensatie.

Heb je nog geen dispensatie voor geneesmiddelen die op de dopinglijst staan, kijk dan hier of en wanneer je die dient aan te vragen.

Opgave gebruikte geneesmiddelen

11. Ondertekenen van het dopingcontroleformulier

De DCO zal je vragen de informatie op het dopingcontroleformulier te controleren. Daarnaast zal je gevraagd worden of je akkoord gaat met de gegevens die op het formulier vermeld staan. Heb je opmerkingen of klachten over de gevolgde procedure, dan kun je deze in de daarvoor gereserveerde ruimte opschrijven. Dit mag altijd in het Nederlands, ook al ben je in het buitenland!

Als laatste stap dienen jijzelf, de DCO en eventueel je begeleider het dopingcontroleformulier te ondertekenen. Met je handtekening geef je aan dat je de controle hebt ondergaan en dat je akkoord gaat met de gegevens die op het formulier vermeld staan. Dit is dus inclusief de eventuele bezwaren die je hebt opgeschreven.

Niet ondertekenen staat gelijk aan een weigering van de dopingcontrole! Na ondertekening krijg je een kopie mee van het formulier en daarmee is de procedure tot een einde gekomen.

Ondertekenen van het dopingcontroleformulier